 |
Kerstdromen
Normaal
vlieg ik.
Zweef
over landschappen als gestuurd door een godenhand.
-
Maar
deze keer was er onrust in het automatisme geslopen.
-
Als
je je in de lucht bevindt, zijn er eigenlijk maar twee mogelijkheden;
ofwel je vliegt ofwel je valt.
-
Ik
viel!
-
-
Nu
had ik dat uitgerekend vandaag niet verdiend. Als overtuigde niet
gelovige had ik ‘s avonds nog de nachtmis gezongen en als
tegenprestatie een beter lot verdiend.
-
Vermoeid,
maar voldaan was ik die avond laat naar bed gegaan en gewoontegetrouw
begon ik al snel te vliegen.
-
Deze
keer werd dit rustgevende beeld echter verdrongen door rozige dikheid.
-
-
Vrouwenvormen
drongen mijn geest binnen. Overal rondingen. En zo roze!
-
Is
dit nu mijn ideaalbeeld van een vrouw?
-
Koester
ik ook nog verborgen verlangens?
-
Een
gigantische zeug van een roze vrouw.
-
Op
de achtergrond groeit als bij toverslag ook nog een gepelde maïskolf
uit tot een gigantisch fallussymbool.
-
De
gele zaden schitterend gerangschikt over zijn gestrekte schacht.
-
Ik
denk: ‘Een kolfje naar mijn hand’.
-
-
Ik
begin nu toch wel serieus te vallen. Geen controle meer.
-
Steeds
sneller gaat het nu en ik weet..... nog even.
-
Automatisch
pak ik met beide handen de maïskolf beet, als een piloot, die in een
laatste poging zijn toestel wil oprichten.
-
En
ik trek mij eraan op tot ik zit.
-
-
Ik
ben wakker.
-
Wat
ik in mijn handen heb is geen maïskolf en maar half zo
verbazingwekkend.
-
-
Kop
op Henk,
-
Houd
de moed erin, het is eerste Kerstdag.
|