Ego sum Babbus
- Langzaam dwarrelt
mijn as door het heldere zeewater naar een aangenaam koele diepte.
- Daar aangekomen vleit zich deze enigszins zwaardere stof als een sediment neer op de
zeebodem en blijft daar een seizoen lang onaangeroerd liggen.
- Mijn hoop op leven is op een
dieptepunt beland, maar door een speling van de natuur
vermengen zich mijn as-genen met een lokaal aanwezig metabolisme. Kleine groene
stengeltjes, onzichtbaar voor de mensheid boven, schieten uit mijn stortplaats
omhoog.
- Naarmate het warmer wordt komen in de plantaardige structuur ook menselijke trekjes.
- En zowaar, hier waar het leven eens begon, kom ik weer tot leven.
- Mijn vermanende vingers wijzen zwabberend in de zeewind naar de bovenwereld als willen
ze zeggen:
-
- Maak iets van je leven, gebruik je handen, maar vooral je verstand, laat je niet
kisten en doe moeite om het er beter vanaf te brengen dan ik.
-
- Het nauwelijks verbrande doodslint markeert de scheidslijn tussen mijn
plantaardigheid en mijn nieuw verworven vingerdom.
Kom op evolutie!
- Ik
kan niet wachten!
-