Siegmund
Ik ben gelukkig.
Ik geef haar een geheime naam.
Een password.
Mein Schätzilein
Mi dolor,
Mon rêve, Ma Femme ultime,
Is grappig en
gelukkig door mij gevangen;
Lief en teder en nooit verlegen,
Ogend als geen ander.
In mijn hart opgenomen,
Als een bloedstroom,
Zichzelf oppompend,
Zo vanzelfsprekend als adem,
Zij is een wederkerig voornaamwoord,
Een slanke den,
Waarin ik wil klimmen.
En ik zou met veel plezier,
Alles met haar ondernemen van hier tot Tokio.
Maar helaas voorlopig ben ik beperkt.
Tot zover wij waren
En wij waren nog niet zo heel ver.
Het vervolg staat in de koelkast!
Het nestje van het voorbije voorjaar,
Is nu door concurrentie bemand.
Dit jaar geen paaseitjes.
Geen kroost.
Maar in plaats van dit alles,
Wel een diep esoterisch geloof,
In grenzeloos geluk
En zo komt het, dat wij twee. later
Elkaar vertrouwend kroelen
Krabbelen over rug en schouder
Zonder bijbedoelingen.
Al ook al zijn we wat belegen,
Of nooit alleen geweest
Maar als er al onzekerheid was
En alle moeite vergeefs
Is alles nog ongewis
Sudderend in een zinkput,
Een Recycle Bin;
Mijn sleetse geest.
Haat onzekerheid van steeds nieuwe toekomsten,
Hoe kort was de blijdschap…
Nu brandt hij in mijn hand,
Die gegeven steen der Wijsheid.
Groen brandt hij in mij met grote waarheid
En ik weet dat ik toch verder moet.
Wist al het oude weten,
Wijst naar een nieuwe toekomst,
Waarin ik alles opnieuw zal moeten leren.
Mijn vorige ik,
Licht even begrijpend op.
Na deze Control-Alt-Delete.
Een vage slagschaduw achterlatend,
Van iemand, die het geprobeerd heeft.
Mijn nieuwe ik weet niet wat achter hem ligt.
En aanvaardt zijn nieuwe existentie gelaten
Ik kijk met mijn hondstrouwe ogen naar mijn moeder,
Die mij de borst geeft.
“Siegmund,
wil je niet zo bijten?”
22 december 1857