Jonge honden
Ze zit tegenover mij aan de eettafel.
Ik heb exotisch gekookt.
Haar ogen zijn slechts half open.
Ze is nog lang niet hersteld van de kwellingen, die ik haar aandoe.
Mijn verwerpelijke jongehondengedrag is op haar overgeslagen.
En wij breken al wekenlang
Iedere nacht in stukken.
De volgende dag zitten we steevast met de brokken.
Ze heeft bloemen voor mij gekocht.
Ik word daar even onbedaarlijk sentimenteel van.
Het is zoiets als een kaarsje aansteken voor een atheďst;
Een humanistische investering!
Om haar lippen speelt nog steeds die glimlach van verwachting.
Prikkeling van het onverwachte, onbekende nieuwe.
Het einde van dit gevoel schuift steeds iets voor ons uit.
Het is alsof je je iets niet kan herinneren.
Er niet op kan komen.
Hoe dieper je denkt; het schuift steeds een stukje op, net buiten je bereik.
En dan plotseling, als je het al hebt opgegeven,
Schiet het je te binnen!
Het sluimerde alleen maar.
Als je jaren op een wonder hoopt,
Dan gebeurt er dus niets!
Nee, alleen wanneer je geen hoop meer hebt,
Valt het geluk je zomaar in de schoot.
Haar van vermoeidheid geloken ogen staren naar het bordje
exotisch eten voor haar en zij zegt: “Ik ben niet zo’n grote eter”.
“Dat komt
goed uit”, zeg ik, “ik ook niet”.
“Ik ben ook een
langzame eter”, voegt zij eraan toe.
“Ik ook”, haast ik mij
te zeggen.
Dan beginnen wij te eten.
Gewoonlijk heb ik niet veel trek meer als ik heb gekookt.
Ik proef altijd het halffabrikaat en tussen het proeven door neem ik dan een ‘neutraliserend’
drankje.
Maar vandaag smaakt het me bijzonder goed en tot mijn verbazing verdwijnt de
inhoud van mijn bord als sneeuw voor de zon. In een tempo dat echte honger
verraadt.
Zij prikt in haar eten en ik weet, dat ze echt een langzame
eter is.
Na verloop van tijd begin ik wat onrustig over mijn stoel te schuiven en ik voel
een onweerstaanbare drang opkomen.
Naar een sigaret wel te verstaan.
Ik raak nu ook gefixeerd op haar vork, die langzaam de kleine sliertjes Mie Hoen
tegen het mes oprolt.
Zij denkt!
Dit in tegenstelling tot de stormachtigheid van onze eerdere samenkomsten.
Nooit eerder een stilte.
Worden we nu volwassen?
Nee!
Ze legt bedachtzaam haar vork en mes neer en met een zucht roken we onze
verlossende sigaret.
Ons gesprek ontspint zich nu als een vertrekkende trein. Eerst
denk je dat hij nooit gaat en dan...
Gaat hij, bijna ongemerkt, maar steeds verder accelererend.
De jonge honden zijn weer op weg naar een volgende uitputtingsslag, die hun
beide morgen als een moker zal raken.
Maar wie denkt er
nou aan morgen?
|