Mijn nieuwe vriendin en de geest in de fles

Ik wandel met mijn nieuwe vlam langzaam, ingehaakt de belangrijkste Eindhovense uitgaanssteeg in: 
Het Stratums-Eind, werkelijk het einde!

Een gigantische barrière rijst voor ons op nog voor wij ons Walhalla mogen betreden.
De St- Catharinakerk, een kerk als een monster wijst naar ons met twee grijnzend opgerichte en verlichte vingers.
Die pijnlijke steenklomp voor één gulden door de gemeente gekocht van mijn geld, wordt nu jaarlijks voor een miljoenvoud met mijn belasting onderhouden.
Dat is de erfzonde om in Eindhoven te mogen wonen.

Nu wij beiden door haar slagschaduw gaan, stinken wij licht naar wierook, maar ook naar zwavel en kijken wij  in afwachting naar het vagevuur, dat ons ongetwijfeld te wachten staat niet op of om.
Nog kort bezwangerd door het pompeuze gezegende en heilige storten wij ons onbekommerd in datgene waar Lucifer al jarenlang aan gewerkt had. 
Het Stratums-Eind: een poel des verderfs.

Wij kijken elkaar als bij afspraak even aan, eindelijk verlost van de clericale schaduw en simultaan verschijnt er op onze lippen een bevrijdende glimlach.
Het is geen kwestie van een appel plukken, dat mag nog.
Maar van die appel eten is verboden.

Daarom maken wij zwijgzaam de hele tour langs deze zondeval, die de onze niet zal worden, hoewel wij ons onderwijl wel verbazen over de vallen die Joost zet.

De terugweg beleven wij als geharde Jezuïten. 
En na opnieuw bewierookt te zijn door dit tweevingerige bouwongeval, valt ons een opmerkelijke opluchting ten deel. 
Niet “gevallen” en toch alles gezien.

Haar zware leunen wordt nu aanmerkelijk lichter en een gesprek weer mogelijk.
Godzijdank zijn wij ontsnapt aan de pek met veren.

De “Little One” is ons doel, een werkelijk klein cafeetje met een terrasje, waar een kop koffie op dit uur geen schande is.
Zij de koffie, ik de jenever en droevig kijkt zij mij aan.
Zeer alcoholbedreven, blijf ik op de been, want mijn laatste oortje is nog niet versnoept.

Zij blijft mij chaufferend naar huis evenwel meewarig aanstaren, alsof er bij haar een alcoholist in de familie zit.
Dankzij de inspanning van het rijden in een vreemde stad vervlakt gelukkig haar negatieve gedachte over mij enigszins en daardoor gered, is zij goddank te bewegen tot een laatste consumptie bij mij thuis, zo laat als het al is.

Een gezegend gevoel overspoelt mij en ik ben bang dat zij op dat hele grote scherm dat ik voor ogen heb kan aflezen, dat ik ook nog andere bedoelingen heb, dan alleen dat innocente geprojecteerde, dat diepere, bepekte verlangen naar een vrouw, die mij begrijpt en zonder gêne haar ziel en zaligheid openstelt, niet aarzelt ook lichamelijk te worden en zich daar ook niet voor schaamt.

Te vroeg gejuicht
Het loopt mis 
Het spinnen van de kater verstomt
De goed afgestelde motor slaat toch af
Deugt de brandstof niet ?
Weg is mijn trots en ook mijn relatie en dat in die volgorde, maar.... wonder boven wonder

Een paar jaar later woon ik wel in Waalwijk.

Henk, 2003.