De Muur

de muur

Overdag’s verblindend mooi licht;
De avonden de heldere schijn van maan en sterren.
Paix en vree heersen.

Tussen de dagen en de nachten
Stroomt een warme rivier
Stroperig naar een onbekende einder.
Geen golven tonen beweging.

Maar toch Onheilspellend neemt nu een diepe glans in de rivier toe
Een grote stilte wordt onrustbarend,
Smoort gesprekken,
Een licht golven breidt zich uit.

Dan na al die traagheid,
Van het ene op het andere moment,
Komt een orkaan met een zweepslag tot razernij.

In dit tempeest zijn vragen zinloos,
Alle antwoorden verstommen; zijn overstemd.
Een Symphony Pathétique vanuit een warm bad,
Wordt een ijskoude onderdompeling
In een van schuimkoppen overladen rivier.

Oprechtheid en liefde
Zijn vergeten als bij toverslag
Er is geen kracht meer voor.

Sneller en sneller drijft hij af de drenkeling;
Zijn kreten om hulp worden genegeerd,
verstommen in luid gegorgel

Het daglicht is vertroebeld nu,
De nacht verdonkert zich in dichte mist.

Aan de kust spoelt onze drenkeling eindelijk aan.
Daar begint hij zijn muur te bouwen,
Zijn remedie tegen een te grote teleurstelling.

Als hij dan na een half jaar hard ploeteren
Het resultaat vanaf zijn duistere kant bekijkt,
Blijkt, dat in het midden
Van zijn monsterlijke schepping
Vier stenen ontbreken.

Het licht van gene zijde
Overstraalt op magische wijze
Deze kruisvormige opening.

Zijn Golgotha?
Of zijn laatste redding?
Is er nog geloof?

Hij besluit aarzelend
Nog even het hakken van de sluitsteen uit te stellen.
En laat vooralsnog het lage zonlicht
Een groot perspectivisch kruis
Op zijn donkere strand schrijven.

Henk

Eindhoven, 14-03-02