|
De Koningin van Kampen
We rijden gezamenlijk richting Kampen.
Dat valt nog wel mee na Urk en Schokland.
Wij denken dat hier de haan ’s zondags niet uit het hok hoeft en dat alle
sigarettenautomaten wel open zullen blijven.
Een eigenaardige sfeer hangt er toch wel.
Iets van heksenverbrandingen, hoewel dat vanwege de reformatie eigenlijk niet
mogelijk is.
Maar een kleine steniging zit er toch wel in.
Die ochtend toen we vertrokken kreeg ik van haar een lekkere natte kus, hoewel
ze zich niet seksueel tot mij aangetrokken voelt. Nu moet ik zeggen dat al dat
seksuele ook strikt verborgen blijft onder haar overdadige, haast moslimachtige
vermomming.
Een enorme veelkleurige lange jurk, waaronder ik vele andere jurken vermoed.
Alleen de hoofddoek ontbreekt.
Nu denk ik wel vaker iets, maar dromen komen zelden uit.
Nooit ben ik in de gelegenheid geweest om op ontdekkingsreis te gaan onder deze
jurken.
Mijn fantasie moest het daar maar mee doen.
Maar mijn benauwende gedachten verstikken al ras.
Het was mij niet gegeven haar af te pellen.
Steeds weer een bloes, dan weer een rok.
Mogelijk ook een vuurrood haarstukje.
En wanneer ik dan op de kern zou komen,
De waarheid zou ervaren,
Heb ik nog steeds mijn degelijke broek met riem aan.
Ook een situatie om over na te denken.
“Wanneer
ik te snel ga moet je het zeggen lieve schat”
Ik kijk nu schuins naar boven en slecht ziende-
zonder bril –
Begin ik haar aan haar eerste laag.
Dan lig ik aandoenlijk naakt achterover in mijn bed.
En zij heeft nog vele lagen.
“Nee zegt zij, ik vind zoiets wel heel lekker”
Dus ga ik door.
Maar nooit, nooit komt er een eind aan die
lagen.
Mijn levendigheid verslapt
danig door zo’n onverwacht perpetuum mobile.
Ik leg mij neer bij dit feit.
Zij zal altijd voor mij onpel- en -peilbaar blijven.
Want sex is een religie.
Iets waar je in gelooft, zoals in Urk.
En daar hadden we het nog niet over gehad.
De dominee op de kansel preekt van onder zijn Jan Peter-achtige kapsel uit
Over schuld, die wij eeuwig zouden hebben,
Donderpreken en hel en verdoemnis verwachten ons schuldige schepelen Gods.
Niets doen wij ooit maar goed.
En zo blijven wij tot in lengte van dagen zijn bestuurbare schaapjes.
In een door en door gereformeerde Kampen loop ik met mijn vriendin gearmd
Over de kinderkoppen
Ik kijk haar eens aan en zij mij.
Flauwe glimlachen beroeren ons gelaat tijdens deze communicatie.
Denken wij hetzelfde?
Of zijn wij mijlenver van elkaar verwijderd?
Heeft de een sneller plezier dan de ander?
Allemaal vragen die ik mij stel.
Ik loop als een wethouder van Juinen naast een Prinses in spe.
Haar opvallendheid doet menigeen omkijken
En ik loop met haar gearmd alsof het niets is.
Zij volkomen op haar gemak zoals altijd.
Ik zuinig kijkend en mijn billen bij elkaar trekkend.
Haast gereformeerd…
Dan als bij donderslag uit hedere hemel
Vraagt een kind aan haar
“Bent u de koningin?”
“Nee, meisje”
“Dat
ben ik niet”
Zegt zij
En als we doorlopen schieten we onbedaarlijk in de lach.
Zij omdat zij zich gevleid voelt
En ik vanwege haar koninklijke verschijning.
Zo zie je maar
Wanneer het contrast zo groot is,
Is de een koningin en de ander bijzaak.
Geen wonder dat het afpellen
Verworden is tot een
Sysyfus-arbeid
Hoe meer je er aan werkt
Hoe zinlozer het wordt.
|